
Elk slachtoffer is er één teveel
Vanaf 1970 tot 1986 spoelden er 's winters echt veel olieslachtoffers aan op de Nederlandse stranden. Daarna nam het aantal met olie besmeurde vogels af. Blijkbaar drijft er minder olie op zee. Dat zou kunnen komen door het MARPOL-verdrag. Het aantal olievogels aan de Nederlandse kust is in vergelijking met andere Noordzee-landen nog steeds hoog. De teruggang van het aantal met olie besmeurde zeekoeten is bij 50% blijven steken.
Contact met de olie: kou vatten of verdrinken
Als een vogel in contact met olie komt dan gaat hij niet gelijk dood. Maar het verenpak vogel is niet meer waterdicht, en daardoor vat hij kou. Het drijfvermogen neemt ook af. De vogel kan zelfs verdrinken. Ook is de kans dat een ei uitkomt, als een olievogel op het nest gaat zitten kleiner. De oliesoort, het jaargetijde en de plaats van de olievervuiling bepalen de omvang van de schade. Zo blijft dikke olie langer drijven dan dunne. Dikke olie kan dus langer schade aanrichten onder zeevogels.
pcd01030-oliekoeten-sw2.jpg

Olievogels schoonmaken
Jaarlijks spoelen tienduizenden olieslachtoffers aan op de kust. Dit is een klein deel van het totale aantal door olie getroffen vogels; de meesten spoelen nooit aan. De nog levende exemplaren komen terecht bij vogelopvangcentra. Deze hebben voorzieningen voor de opvang van olievogels. Ecomare is zo'n vogelopvangcentrum. Vroeger werden daar elk jaar ongeveer 500 vogels opgevangen, tegenwoordig zijn dat er nog maar enkele tientallen. Andere opvangcentra in Nederland zijn Middelburg, Rotterdam, Haarlem en Anjum. De olievogels worden gewassen met een speciaal wasmiddel. Daarna moeten ze op krachten komen en zorgen dat hun verenkleed weer waterdicht wordt. Na gemiddeld 2 maanden kunnen ze worden vrijgelaten. Vogelopvang is geen oplossing voor de olievervuiling. Het is dweilen met de oliekraan open. Het is natuurlijk veel belangrijker dat de olievervuiling stopt.
vogelwasser-besmeurd-sw2.jpg

Onderzoek naar olieslachtoffers
Het Nederlands Stookolieslachtoffer-Onderzoek (NSO) werd in 1977 opgezet. Maar ook daarvoor werden de olieslachtoffers op het strand al geteld. Zo organiseerde de Nederlandse Jeugdbond van Natuurstudie (NJN) sinds 1960 al tellingen op het strand en zijn er gegevens van tellingen sinds 1915, officieel het eerste jaar waarin olieslachtoffers in Nederland werden aangetroffen. Stookolieslachtoffertellingen worden door vrijwilligers uitgevoerd. De nadruk ligt op de winterperiode. Bijna driekwart van de olievervuiling bestaat uit oliemengsels. Dat duidt op lozingen na het schoonmaken van de tanks. Ruwe aardolie van verongelukte tankers of ongelukken bij olieplatforms wordt zelden op de Nederlandse kust gevonden. Er spoelen tegenwoordig veel minder olieslachtoffers aan dan dertig jaar geleden. De Zeevogelgroep gaat er van uit dat vooral de hoeveelheid olie op zee bepalend is voor de kans dat een vogel in de olie komt.
Winterkwaal
Aan de Nederlandse kust zijn er voooral in de winter olieslachtoffers te vinden. De vogels zitten dan voor de Nederlandse kust. Vaak hebben ze het zwaar door de lage temperatuur, stormen en gebrek aan voedsel. De winter met vaak stormachtige wind en korte dagen is de tijd van het jaar waarin het minst gecontroleerd kan worden op illegale olielozingen. Iedere schipper die olie loost op de Noordzee weet dat hij vrijwel niet gepakt kan worden bij storm.
Risicogroep
Een kleine olievlek in een vogelrijk gebied eist meer slachtoffers dan een grote vlek ergens anders. Zeevogelsoorten die veel zwemmen, zoals zeekoeten, zijn het meest kwetsbaar. Een extra risico lopen zeekoeten en alken na de broedtijd. De oude vogels ruien in die tijd en kunnen dan niet vliegen. De kuikens kunnen ook nog niet vliegen. Wegvliegen voor een olievlek is er niet bij.
Nieuwe ellende
De olievervuiling is gelukkig een stuk minder geworden, maar er leek een nieuw probleem voor in de plaats te komen. In maart 2010 strandden dode vogels die helemaal bedekt waren met een kleverige substantie. De veren en vleugels zaten verkleefd aan het lichaam. Het was onduidelijk om welke stof het ging. Mogelijk ging om iets dat wordt gebruikt bij het schoonspoelen van de ladingtanks van chemicaliëntankers. Daarna is dit gelukkig niet meer op grote schaal gebeurd.