
Bijlagen
Het verdrag bestaat uit zes bijlagen, die afzonderlijk door landen geratificeerd kunnen worden. In de bijlagen staat hoe omgegaan moet worden met het lozen van stoffen die bij normale bedijfsvoering op schepen ontstaan, zoals ladingsresten (Bijlagen I en II), resten van brandstoffen en smeerolie (Bijlage I), afvalwater (Bijlage IV), vuilnis (Bijlage V) en luchtverontreiniging (Bijlage VI). Behalve een algeheel verbod op het lozen van kunststoffen (Bijlage V), is lozing meestal toegestaan onder bepaalde voorwaarden.De bijlagen over ladingsresten (Bijlage I en II) zijn in 2005 geratificeerd door 130 landen die samen 97% van het tonnage van de wereldhandelsvloot bezitten. Nederland geeft aan het MARPOL-verdrag uitvoering via de Wet Voorkoming Verontreiniging door Schepen (WVVS)
Dubbelwandige tankers
In april 2005 is de regeling van kracht gegaan waarin staat dat enkelwandige tankers verboden zijn. In de praktijk wil dit zeggen dat bepaalde tankers inderdaad in 2005 niet meer mogen varen, terwijl andere type schepen nog wel een paar jaar mogen doorgaan. In 2015 moeten alle enkelwandige tankers uit de vaart zijn.Meer dan 60 landen die samen ruim 85% van het tonnage van de wereldhandelsvloot bezitten, hebben zich bij het verdrag aangesloten. Van de rijke landen met een vloot hadden in 1992 85% het MARPOL-verdrag geratificeerd, van de arme slechts 20%. Arme landen kunnen het zich vaak niet permitteren om tot ratificatie van het verdrag over te gaan. De uitvoering van het verdrag is duur. Het land moet apparatuur aanschaffen om lozing van olie te voorkomen en havenontvangstinstallaties inrichten waar schepen onder andere hun afvalolie kunnen afgeven. Zo'n installatie is duur in aanschaf en exploitatie. Ook is er een verplichting tot controle. Daarvoor zijn vliegtuigen, goede apparatuur en goed opgeleid personeel nodig.
Olie in het MARPOL-verdrag
Op de Noordzee mag ieder schip nu nog volgens het MARPOL-verdrag een beetje olie lozen. Volgens de meest recente cijfers wordt op de Noordzee illegaal 30.000 tot 40.000 ton olie geloosd en 1000 tot 2000 ton legaal.Het MARPOL-verdrag kent zones waar lozingen van olie verboden zijn. Zo geldt binnen een afstand van 50 zeemijl uit de kust een lozingsverbod van olie en oliemengsels afkomstig uit olietankers. Voor de overige schepen van minimaal 400 ton geldt een dergelijk verbod binnen de twaalfmijlszone. Daarbuiten mag het wel: het MARPOL-verdrag staat lozingen op volle zee toe. Het lozen van enkele stoffen, waaronder plantaardige olie, wordt ook in de kustwateren toegestaan.Het MARPOL-verdrag kent daarnaast de mogelijkheid om bepaalde stukken zee tot 'special area' te benoemen, waardoor lozingen ter plekke illegaal worden. De hele Oostzee is bijvoorbeeld zo'n 'special area', en de lozingen van olie zijn daar sinds het instellen daarvan ook in aanzienlijke mate gedaald. De Noordzee heeft nog niet de status van 'special area'. De Noordzee-ministersconferentie in Esbjerg (Denemarken, 1995) heeft besloten de Noordzee tot 'special area' te benoemen, maar het duurt nog wel enkele jaren voordat het zover is, want ieder Noordzee-land moet nu dit besluit omzetten in eigen wetgeving.De IMO heeft in december 1997 besloten om de Noordzee (en de wateren ten westen van Engeland en Ierland) tot 'special area' in het kader van de MARPOL-bijlage 1 te benoemen. In de praktijk betekent dat het voor schepen die groter zijn dan 400 brt vanaf 1 januari 1999 verboden is om olie of oliehoudende stoffen op de Noordzee te lozen.De Waddenzee is in 2002 op verzoek van Nederland, Duitsland en Denemarken tot "particularly sensitive sea area" (PSSA) benoemd, dus als een bijzonder kwetsbaar gebied, net zoals bijvoorbeeld het Great Barrier Reef bij Australië. De Raad voor de Wadden constateerde in een advies een "discrepantie tussen enerzijds de erkenning van de kwetsbaarheid van het gebied en anderzijds een aantal ontwikkelingen die de bescherming van het gebied verzwakken".Vanaf februari 1991 mag op basis van het MARPOL-verdrag geen scheepsafval meer worden gestort in de Noordzee.