
NAO en elfstedentocht
De NAO speelt vooral in de winter een belangrijke rol. Normaal gesproken ligt er in de wintermaanden boven IJsland een vast lagedrukgebied en boven de Azoren een vast hogedrukgebied. Dit levert in noordwest Europa een weerbeeld op van overheersende westenwinden en zachte winters. Van tijd tot tijd ontwikkelt zich boven IJsland echter een vast hogedrukgebied. Daardoor veranderen de overheersende winden in het Noordzeegebied naar het noorden en oosten, waardoor de winters aanzienlijk strenger worden.De grafiek van de NAO-index laat een vrij onregelmatig patroon zien, met spectaculaire 'dips' rond 1878, 1895, 1915, 1946, 1963, 1988 en 1995/1996. In veel van deze winters werd een Elfstedentocht verreden.
NAO-ned.jpg

Invloed van de NAO op het leven in zee
In strenge winters ligt de gemiddelde temperatuur van het zeewater in de Noordzee enkele graden lager dan gemiddeld. Het is bekend dat die lage watertemperatuur in de winter tot gevolg heeft dat de schol, tong en kabeljauw in het daaropvolgende paaiseizoen sterke jaarklassen produceren. Ook veel schelpdieren in de getijdenwateren (zoals kokkels) produceren na een strenge winter veel nakomelingen, maar daar staat tegenover dat tijdens de strenge winter veel volwassen schelpdieren doodvriezen.Een tweede effect treedt op via een verandering van de zeestromingen. Dit is onder meer bekend van de haring, die normaal gesproken op 200 meter diepte overwintert aan de westrand van de Noorse geul, voor de kust van Noorwegen. In die geul staat op die diepte een constante stroom richting Skagerrak. De overwinterende haring zwemt langzaam tegen die stroom in en blijft zodoende op dezelfde plek. Maar in winters met overheersende wind uit het oosten neemt de stroom richting Skagerrak toe. De scholen haring overwinteren dan op een plek die meer naar het zuidoosten ligt. Haring keert het jaar daarop weer terug naar de overwinteringsplek van het jaar ervoor. Als er nu een aantal winters achter elkaar sprake is van overheersende oostenwinden, verschuift het overwinteringsgebied steeds verder het Skagerrak in.Tussen 1860 en 1881 is de NAO-index vrijwel voortdurend laag geweest. Het gevolg was dat het overwinteringsgebied van de haring opschoof naar de Zweedse kust van het Skagerrak. Het effect was blijkbaar zo sterk dat de haring tot 1905 daar is blijven overwinteren. Dit wordt de Bohuslän-periode genoemd, naar de Zweedse kuststreek aldaar. In de daaropvolgende 10 jaar, met relatief hoge NAO-indexen, schoof het overwinteringsgebied weer via het Skagerrak terug naar de Noorse geul.Tussen 1945 en 1955 schoof het overwinteringsgebied weer tot in het Skagerrak op als gevolg van de NAO-'dip' in het midden van de jaren veertig. En in 1963 bereikte de haring zelfs weer de Zweedse kust: een tweede Bohuslän-periode, die echter veel korter duurde dan die van het begin van de 20e eeuw. Deze periode werd de Noordzee-haring overigens bijna noodlottig: in enkele winters tijd werd het grootste deel van de haringen in oostelijke Skagerrak opgevist. Met de spectaculaire 'dip' van de NAO-index in 1995 en 1996 verwacht men weer een opschuiven van de overwinterende haring.Het verband tussen de NAO-index en de overwinterende haring is het best gedocumenteerde verschijnsel over de invloed van klimaatschommelingen op het leven in de Noordzee. De onderzoeksinstellingen hebben hun inspanningen op dit gebied echter aanzienlijk vergroot. Men is op zoek naar allerlei relaties, mede in verband met een beter beheer van de visstanden en de natuur in de Noordzee.