
Getijdendynamiek
Tweemaal per dag worden wadplaten overspoeld en tweemaal komen ze weer droog te liggen. De duidelijkste verandering is de waterstand, maar daarbij verandert er veel meer. Het zuurstofgehalte en de temperatuur van de wadbodem veranderen voortdurend door het getij. In de zomer warmt de bodem flink op bij laag water om vervolgens weer af te koelen als het water stijgt. In de winter gaat dit net andersom. De getijdebeweging voert voedingsstoffen mee en biedt zeehonden een tijdelijke rustplek. De getijstromingen verplaatsen bodemdeeltjes, waardoor de vorm van de bodem voortdurend verandert. De getijdenzone is dus zeer dynamisch. Er zijn maar weinig planten en dieren die kunnen omgaan met al deze veranderingen.
Seizoensdynamiek
Zoals het getijde dagelijks het ritme bepaalt in een ecosysteem langs de kust, zo bepaalt het seizoen het jaarlijkse ritme. De daglengte en de temperatuur zijn de belangrijkste factoren die per seizoen verschillen. In de herfst stormt het over het algemeen vaker dan in de zomer. Dit geeft ook veranderingen in een ecosysteem. Als voorbeeld het plantaardig plankton in zee. De groei van algen wordt helemaal bepaald door de seizoenen. Die zijn voor de groei afhankelijk van drie zaken: licht, temperatuur en voedingsstoffen. In de winter zijn er voedingsstoffen in overvloed. Toch groeien er maar weinig algen omdat er te weinig licht is. In het voorjaar lengen de dagen. Er komt meer licht. Diatomeeën zijn de eerste algen die hiervan profiteren. Dit zijn algjes die een kiezelskelet hebben. Zij hebben dus kiezelzuur nodig om te groeien. Dat halen ze uit het zeewater. Na verloop van tijd raakt het kiezelzuur op, en de diatomeeën groeien niet meer. Intussen komt er nog meer licht en warmt de zee op, waarvan andere algen profiteren. In de herfst, als de dagen korter worden en de zon lager aan de hemel gaat staan, neemt de algengroei weer af.
Successie
Successie is de opeenvolgende verandering van de vegetatie in de tijd. Eigenlijk is elke plant ook een 'biobouwer', die zijn omgeving een beetje verandert zodat andere planten ook een kans krijgen. Er komen op die manier in een gebied steeds andere soorten, waardoor de vegetatie geleidelijk verandert. De eerste plantensoorten worden pioniersoorten genoemd. In pioniersgemeenschappen komen maar weinig soorten voor. Van deze plantensoorten komen echter wel veel individuen voor. De pioniersplanten zijn aangepast aan extreme omstandigheden. Met z'n allen maken ze hun omgeving rustiger en komen er meer soorten. Het eindstadium van de successie wordt 'climax' genoemd. Op het land is dat in onze gematigde streken vrijwel overal een loofbos. Dat zou je niet zeggen, zoveel bos hebben we niet in Nederland, maar alle boeren, weg- en stedebouwers houden in feite voortdurend de spontane bosvorming tegen. Natuurbeheerders doen dat ook vaak. Die hebben liever een open heideveld dan een bos, en trekken dus alle jonge boompjes uit de hei. Onder extreme omstandigheden kan er geen loofbos ontstaan. Voorbeelden zijn de kwelders, waar alleen maar grassen en kruiden kunnen groeien die tegen overstroming met zout water kunnen. Geen boom die daar wil groeien.
Successie op de kwelder
Een voorbeeld van successie is de begroeiing van een kwelder. Ergens ontstaat door het spel van stromingen een nieuwe zandplaat. Als de bank regelmatig droogvalt kan er zeekraal kiemen. Tussen de zeekraalplantjes blijven bodemdeeltjes liggen, en de plaat wordt nog hoger. Zo wordt het een goede stek voor kweldergras. Kweldergras kan nog beter dan zeekraal zand en slik vastleggen. Als een kwelder nog maar een paar keer per jaar onderloopt, ontstaat een min of meer stabiele begroeiïng met zoutverdragende planten als lamsoor, zeealsem, zoutmelde, zeeaster en zilte schijnspurrie.
Successie in de duinen
Op het strand treedt ook successie op. Het begint met zeeraket en biestarwegras. Dat zijn planten die kunnen kiemen op een klein hoopje strandzand. De planten houden het zand vast: het hoopje wordt een mini-duintje. Onder zo'n duintje vormt zich op een gegeven moment een klein zoetwater-voorraadje. Dat is het moment dat helm zich kan vestigen. Helm is de super-biobouwer van de duinen. Dit gras legt veel zand vast en groeit er meteen ook weer bovenuit. Helm kan zo van een miniduintje een metershoge zandheuvel maken. Op luwe plekken tussen de zandheuvels verschijnen blauwe zeedistel, zandteunisbloem en vlierstruiken. Als de duinen ouder worden spoelt de regen het kalk uit het zand. De planten die zich vestigen op de zuidhellingen hebben het zwaar. De temperatuur wisselt sterk. Op zonnige dagen kan die oplopen tot 50 graden Celsius. Het is er vaak ook kurkdroog. De vegetatie bestaat uit vooral uit helm, mossen en korstmossen met daartussen polletjes buntgras. Hier en daar groeien hondsviooltjes, echt walstro en duinvleugeltjesbloemen. Op de noordhellingen, waar de omstandigheden niet zo extreem zijn, zie je vooral veel kraaiheide en eikvaren.
noord-zuidhelling-em-ned 2.jpg

Veranderingen in de Noordzee
Het leven in de Noordzee verandert voortdurend. Verandert het door overbevissing, verontreiniging, klimaatverandering, zonnevlekken of gewoon omdat het altijd verandert? Veel zeewetenschappers hebben meetreeksen verzameld, onder meer van het broedsucces van eidereenden op Vlieland en de biomassa van bodemdieren en algen in het Marsdiep. Eerst gebruikten de onderzoekers die gegevens voor onderzoek naar de effecten van vermesting van de Waddenzee en Noordzee. Toen de verschillende datareeksen met elkaar vergeleken werden, bleek dat enkele veranderingen heel plotseling optraden. Die konden nooit door de langzaam toegenomen vermesting zijn gekomen. De algenbiomassa verdubbelde tussen 1976 en 1978, gevolgd door de bodemdieren in 1980. In 1978 nam het broedsucces van de eidereenden op Vlieland explosief toe. In 1990 stortte die groei weer in elkaar, het leken de beurskoersen wel. Uit nader onderzoek bleek bovendien dat niet alleen het wadden-ecosysteem sterk veranderde, maar de hele Noordzee. Men dacht eerst als verklaring aan een zoetwaterbel, die in dezelfde tijd de Noordzee introk. Maar ja, ook in de Middellandse Zee en aan de westkust van Noord-Amerika kon je dit soort plotselinge veranderingen vaststellen. Na de vergelijking van nog meer meetreeksen werd duidelijk dat 1935, 1955, 1965, 1978 en 1990 jaren waren met dit soort schoksgewijze ontwikkelingen. Maar hoe komt het nu? Dit raadsel is nog niet opgelost.