Overslaan en naar de inhoud gaan

Kwelders van Schiermonnikoog

Er zijn nu twee kwelders op Schiermonnikoog: de Oosterkwelder, waar sinds 1990 een broedkolonie lepelaars is, en de Binnenkwelder.

Oosterkwelder

sch.jpg

Oosterkwelder | © Martin Schoemaker, archief bezoekerscentrum Schiermonnikoog

Voor 1850 lag er ten oosten van de Kobbeduinen een grote kale zandvlakte. Na 1850 werd die vlakte een kwelder, en door de aanleg van een lange stuifdijk in 1960 kwamen er nog meer duinen en planten. 

In 1960 werd er aan de noordkant van de oostelijke zandvlakte een lange, rechte stuifdijk aangelegd. Dit was onderdeel van een plan om alle Nederlandse waddeneilanden met elkaar te verbinden. Door de stuifdijk kwam de vlakte beschut te liggen en gingen er meer planten groeien. Rond 1970 drongen geulen die vanuit de Waddenzee de kwelder inlopen door tot de stuifdijk. Vier van die geulen braken door en kregen contact met het strand en de Noordzee. Daarna heeft Rijkswaterstaat het onderhoud aan de stuifdijk ten oosten van paal 10.4 gestopt. In dat deel van de kwelder heeft de natuur vrij spel. Het westelijk gedeelte ligt nog steeds in de luwte van de stuifdijk. Bij storm en springtij overstroomt de kwelder met zout water.

De planten die hier voorkomen kunnen tegen het zoute water. Er groeit lamsoor, zeekraal, zeeweegbree en zeeraket. Op de overgang van hoge duinen naar kwelder en van zand naar slib staan meer soorten planten, zoals zeewinde en blauwe zeedistel.

De kwelder is van 15 april tot 15 juli gesloten voor mensen. Daar broeden dan sterns, meeuwen, scholeksters, lepelaars en vele andere vogels. Rust is in de broedtijd voor de vogels van groot belang. In de herfst onderbreken duizenden pijlstaarten, smienten, wintertalingen en ganzen hun trektochten om zich tegoed te doen aan het kweldergras. Andere vogels rusten uit op de kwelder bij hoogwater wanneer ze gegeten hebben op het wad.

Binnenkwelder

De Binnenkwelder ligt tussen de Kooiduinen en de Kobbeduinen. Deze kwelder ontstond na het ontstaan van de Kobbeduinen, rond 1850. In het gebied lopen jonge koeien van de eilander boeren rond. Deze zorgen ervoor dat de plantengroei laag blijft en er plek blijft voor karakteristieke kwelderplanten. Het water van de Waddenzee dringt soms het gebied binnen. De Binnenkwelder is vanaf het ontstaan gebruikt als weiland voor vee en voor hooi. Er graasde een kudde met een herder. Na 1958 mocht de kudde alleen nog in een klein deel vlak bij de Kooiduinen, binnen een hek lopen. Een deel van de kwelder groeide dicht met kleine boompjes, zoals kruipwilg en berk. Hierdoor gingen veel andere planten dood. Men begon met maaien om dit tegen te gaan. In 1975 werd de begrazing uitgebreid. Bij de instelling van het Nationaal Park is het begraasde gebied nog verder uitgebreid tot 1000 hectare.

Op de Binnenkwelder is er een overgang van zoet water in de hoge gebieden bij de Reddingsweg naar puur zout water langs het wad. Een groot deel van de Binnenkwelder is brak en wordt alleen bij zware storm overspoeld door zeewater. Er is een landschap met ruigte en bos. Op plaatsen met veel zoet water is veenmos gaan groeien. Op de overgang van zoet naar brak water groeit moeraskartelblad. Door het dichtslibben van greppels is het gebied drassiger geworden. Daardoor begon er meer riet te groeien. In de Binnenkwelder staan onder andere orchideeën, zonnedauw, gentianen, waterpunge en watermunt. Hier broeden bruine kiekendief, waterral en porseleinhoen. Van 15 april tot 15 juli moeten wandelaars op de paden blijven.

CC-BY-NC, Ecomare & VLIZ 2020 - Laatst bijgewerkt: