
Voedingsstoffen, slibdeeltjes en giftige stoffen plakken in het water vaak aan elkaar. Met hun voedsel of uit hun omgeving krijgen planten en dieren ook gif binnen. Ze scheiden het gif soms weer uit, maar vaak slaan ze het op in hun lichaam. Als ze dan zelf opgegeten worden, komt het gif in het lichaam van een ander beest. Door dat opslaan en het feit dat dieren elkaar steeds weer opeten kunnen de concentraties van giftige stoffen in het lichaam van sommige grotere dieren heel hoog worden. Dat verschijnsel heet bio-accumulatie. Hierdoor kunnen roofdieren aan het eind van de voedselketen (zeehonden, roofvissen, visetende vogels, mensen) zeer hoge concentraties aan giftige stoffen bij zich dragen. Voorbeelden van stoffen die dat doen zijn PCB's, PAK's en zware metalen. Dat is niet zo gezond...
Voedselgedrag bepalend voor de mate van bio-accumulatie
Bij een onderzoek naar de effecten van vervuiling van de zeebodem op de bodemdieren stelden onderzoekers wadpieren, nonnetjes en mosselen bloot aan een met PAK's vervuilde bodem. De wadpieren, die zand en slib eten om aan hun voedsel te komen, hoopten duidelijk het meeste gif in hun lichaam op. Mosselen, die zeewater zeven, hadden minder PAK's in hun lijf. De nonnetjes zaten ertussenin. Nonnetjes grazen de algen van de zeebodem als er weinig voedsel in het water zit. Bij vervuiling met PCB's kwam ongveer hetzelfde beeld uit de proef.
g-bioaccumulatie-E2.jpg
