
Het zeeboontje is een klein, plat zee-egeltje. Net als de meeste zee-egels leeft het zeeboontje ingegraven in zandbodems. Hij zoekt voedsel met zijn zuignap-voetjes waarmee hij de zeebodem aftast. De lege, witte skeletjes van zeeboontjes komen veel voor tussen het aanspoelsel op het strand, vooral bij oostenwind. De groenige stekels zijn er meestal al van af. Normaal gesproken zijn zeeboontjes grijs-groenig, maar als ze gewond zijn of stress hebben worden ze knalgroen.

Lantaarn van Aristoteles
Zeeboontjes hebben een ingewikkeld kauwapparaat. Het apparaat bestaat uit wel 40 onderdelen die samen vijf 'kaken' vormen. Aan het eind van elke kaak zit een kleine, maar scherpe tand. Door middel van spieren en pezen kunnen deze vijf 'kaken' ten opzichten van elkaar bewegen. De tanden zijn zo hard en ze kunnen er zo'n kracht mee zetten, dat ze er krassen op stenen mee achter kunnen laten. Zeeboontjes gebruiken hun lantaarn van Aristoteles vooral voor het schrapen van dierlijke en plantaardige resten van zandkorrels. De korrels worden daarvoor eerst doorgegeven van buisvoetje naar buisvoetje. De losse stukjes materiaal van deze korrels worden direct in de mond geplaatst. Maar het meeste voedsel krijgen zeeboontjes binnen door het zandkorreltje stevig tegen de lantaarn van Aristoteles te drukken en het rond te draaien. Daarmee worden alle eetbare restjes van de korrel geschraapt.
Verspreiding en habitat
Het zeeboontje komt in de Noordzee voor, met name tussen 20 en 30 meter diepte. Ze kunnen tot 200 meter diepte voorkomen. Zeeboontjes houden van grof zand tot grindbodems, ze komen niet voor in modderige gebieden, dus ook niet in de deltawateren en de Waddenzee.