Zie ook
De sociale gebondenheid van de Markegenootschappen -eigen bouwland, recht op 'n deel hooiland en gemeenschappelijk weidegebied- heeft eeuwenlang een groot aantal kleine boerenbedrijfjes in stand gehouden. Toen de boeren hun eigen land kregen, was er ruimte voor modernisering. De omvang van de bedrijven en de veestapel nam toe. In 1885 waren er 219 boerenbedrijfjes op Ameland met gemiddeld 5 hectare grond en een veestapel van 1 tot 4 koeien. Na 1930 had meer dan de helft van de boerderijen vijf tot tien hectare tot zijn beschikking, met een gemiddelde van 9 koeien. Het aantal bedrijven bleef nagenoeg gelijk. Rundveehouderij is nu verreweg de belangrijkste agrarische tak op Ameland.
Veehouderij
Van oudsher waren er op Ameland vooral kleine gemengde veeteeltbedrijven. Ze verdienden de kost met het het fokken en verkopen van vee: koeien, paarden en schapen. De rundveehouderij is in de loop van de eeuwen de belangrijkste bron van inkomsten geworden. Schapen waren een klein onderdeel van het bedrijf. De belangrijkste opbrengst van het schaap was de wol. Van de melk werd kaas gemaakt.
Aan het eind van de vorige eeuw werd het houden van schapen door de overheid aangemoedigd. Dat gebeurde omdat er een overschot was aan rundermest. De boer kreeg subsidie voor elke ooi die hij aanschafte. Gevolg was een enorme groei van het aantal Amelander schapen. Verdeeld over de verschillende bedrijven worden er tegenwoordig ongeveer 7000 schapen op Ameland gehouden. De belangrijkste opbrengst is nu het vlees. De wol is niet veel meer waard. De kosten van het scheren zijn hoger dan de baten.
fitis-ameland-lammetjes-dijk-sd_800px.jpg

Akkerbouw
Vroeger verbouwden de boeren op Ameland alleen gewassen voor eigen levensonderhoud en als veevoer. Op de hoge zandgronden achter de duinen, veilig voor het bij hoge vloed binnendringend zeewater, ontstonden nederzettingen, de Markegenootschappen, met gemengde boerenbedrijfjes. Die boeren hadden akkers op de hoge zandgrond aan de noordkant, hooilanden op de lage zand- en veengronden, en gemeenschappelijke weidegrond in de duinen en op de kwelders.
Van zout naar zoet weidegebied
Aan het eind van de 19e eeuw gingen de gemeenschappelijke markegebieden over in particulier bezit. Waterschappen werden opgericht. Door de aanleg van een zeedijk konden de grieën -de buitengebieden met kleigrond- als hooilanden worden gebruikt. De tot dan toe schrale zoute weidegebieden werden zoete weidegebieden waar veel gras op groeide. Wegen en sloten werden aangelegd. Er kwam ook tarwe, gerst en haver, en de boeren gingen kunstmest gebruiken. De opbrengst bleef gericht op eigen gebruik, voor bedrijf en gezin.
Nu is er nog maar weinig akkerbouw op Ameland, wat mais en aardappelen. Nagenoeg alle boerenland is grasland ten behoeve van de rundveehouderij.
fitis-ameland-dijksloot-sd_800px.jpg

1916: de eerste ruilverkaveling
In 1916 maakte Ameland geschiedenis. Als eerste gemeente in Nederland was daar een vrijwillige ruilverkaveling. Nu was dat trouwens bittere noodzaak. De ruilverkaveling maakte een eind aan de enorme versnippering van de binnenweiden van Hollum en Ballum.
Tijdens de ruilverkaveling onder de Ballumer mieden werden 3659 piepkleine landjes samengevoegd tot 219, gemiddeld toch nog geen hectare groot. In 1924 was Hollum aan de beurt. In Nes-Buren werd er pas in de jaren vijftig van de 20e eeuw verkaveld.
fitis-ameland-westpunt-luchtopname-sd_800px.jpg
