Overslaan en naar de inhoud gaan

Industrievisserij

De industrievloot vangt in de Noordzee voornamelijk sprot, kever en zandspiering. Dit zijn kleine, kort levende vissen, die in grote scholen in de Noordzee voorkomen. Die vis komt niet bij de visboer terecht, maar wordt verwerkt tot vismeel en -olie. Het ging tot 2002 jaarlijks om ongeveer een miljoen ton vis: dat was ruim de helft van alle vis die er op de Noordzee werd gevangen. Nu zijn de vangsten op de Noordzee veel minder. De vismeelindustrie schakelde over op de 'grondstoffen' blauwe wijting en horsmakreel. Die soorten worden vooral in de noord-oostelijke Atlantische Oceaan gevangen.

Van puf tot pulp

Omdat het gaat om grote scholen en kleine visjes gebruikt men grote fijnmazige netten. Critici spreken van 'nylonkousen'. De kottervissers noemen de vangst van de industrievloot 'puf'. De industrievissers gebruiken zwevende sleepnetten (pelagische trawls) of ringzegens (netten die wel 2 kilometer lang en 150 meter diep kunnen zijn). De vis wordt aan boord direct vermalen tot pulp. In de haven kan die gemakkelijk uit het schip gepompt worden. De pulp wordt in fabrieken op de haven verder verwerkt tot vismeel of visolie. Het vismeel wordt voer voor varkens, pluimvee, pelsdieren en vis. Er is een groeiende vraag naar vismeel omdat er steeds meer zalm gekweekt wordt. Die zalm leeft dus van tot korrels geperste minivis. De visolie wordt onder meer gebruikt in de margarine-industrie.

graf-industrievis-ned 2.jpg

Visvangst in de Noordzee 1973-2005 | © Ecomare, Oscar Bos

Gevolgen voor het zeeleven

Het is al lang bekend dat deze vorm van visserij slecht kan uitpakken voor het leven in zee. De kleine visjes zijn het voornaamste voedsel voor roofvissen zoals kabeljauw, zeevogels en zeezoogdieren. Rond 1985 stortte de stand van zandspiering rond de Shetland-eilanden in, onder andere door de hoge visserijdruk. Daardoor kwamen er weinig kuikens in de zeevogelkolonies op de eilanden. In diezelfde tijd viste de Noorse industrievloot in de Barentsz Zee vrijwel alle lodde (een kleine vissoort uit arctische wateren) weg. Dit leidde tot massale sterfte onder de zeevogels. Vrijwel alle zadelrobben uit het gebied trokken weg naar de zuid-Noorse kusten. Hier verdronken ze in visnetten of ze werden afgeschoten uit angst voor de concurrentie met de kustvisserij. Omdat de vissen kort leven en zich snel voortplanten kunnen ze zich in het algemeen snel herstellen. Maar voor de roofdieren geldt dat niet. Veel biologen nemen aan dat dolfijnen en bruinvissen uit de noordelijke Noordzee naar het zuiden zijn getrokken omdat er in het noorden te weinig eten was.

fitis-zandspiering-sd 2.jpg

Zandspiering | © Ecomare, Foto Fitis, Sytske Dijksen

Bijvangst

Soms vangen de industrievissers evenveel haring als sprot. Dat komt omdat ze met fijnmazige netten werken. Bij de vangst van kever bestaat de bijvangst vooral uit jonge wijting. Dat levert veel politieke problemen op, want de vangst van volwassen haring en wijting is gebonden aan strenge regels. Die regels worden ondermijnd als er te veel jonge haringen en wijtingen in de pulp van de industrievissers verdwijnen.

fitis-zuiderzeeharing-sd 2.jpg

Haring | © Ecomare, Foto Fitis, Sytske Dijksen

Zandspiering herstelt

In de zuidelijke Noordzee speelt de zandspiering een belangrijke rol in de voeselketen. De grafiek laat zien dat er rond de Doggersbank en zuidelijker fors op werd gevist. Een tijd lang kon de visstand dat nog aan, maar vanaf 1999 niet meer. Een paar jaar lang bleven de industrievissers nog doorvissen. Vanaf 2003 werd de visserijdruk op zandspiering veel lager en trad er herstel op. Een direct verband is niet hard te maken, maar het is opvallend dat juist sinds die tijd de aantallen bruinvissen in de Nederlandse wateren zijn toegenomen.

graf-zandspiering-ned 2.jpg

De stand van zandspiering in de Zuidelijke Noordzee | © Ecomare, Gerbrand Gaaff
CC-BY-NC, Ecomare & VLIZ 2020 - Laatst bijgewerkt: