
De duinen van Terschelling ziijn het mooiste wat het eiland te bieden heeft. Ze vormen bovendien één van de grootste duingebieden van West-Europa. Op sommige plekken is het duin kilometers breed. De rijkdom aan flora en fauna is groot. Je vindt er gele of jonge duinen, grijze of oude duinen, droge, vochtige en natte duinvalleien. Op verschillende plekken laat men het duin weer stuiven.
Vegetatie in de Terschellinger duinen
fitis-terschelling-zeewolfsmelk-sd_01.jpg

Op Terschelling is het 's winters minder koud en 's zomers minder warm dan op de vaste wal. Dat komt door de zee. Die blijft lang warm in de winter, en juist koel in de zomer. Voor sommige planten die langs de kust van Noordwest-Europa groeien is Terschelling de noordelijkste vindplaats. Voorbeelden van typische planten hier zijn gagel, veenpluis en soorten van de heidefamilie.
Vochtige duinvalleien
fitis-gentiaan-strandduizendguldenkruid.jpg

Vochtige duinvalleien beginnen achter de zeereep als jonge duinvallei. Er is nog kalk aanwezig, wat voedingsstoffen en wat zout uit de zee. Hier groeien greppelrus, fioringras en parnassia. In voedselarme valleien komen strandduizendguldenkruid en knopig vetmuur tot bloei. Daarna verschijnt knopbies, en soms prachtige soorten als vleeskleurige orchis, groenknolorchis en moeraswespenorchis. Tussen de mossen groeit het varentje addertong.
Ook dit duingebied ontkalkt en verzuurt bij het ouder worden. Kruipwilg- en kraaiheidebosjes gaan domineren. Ertussen is vaak wintergroen te vinden, kleine ratelaar, koekoeksbloem, pinksterbloem en brunel, op natte plekken watermunt en waternavel en op droge plekjes schermhavikskruid, kleine leeuwetand en biggenkruid. In de overgangszone is vaak de harlekijnorchis te vinden. Daarna verschijnen er steeds meer bomen: berk, ratelpopulier en zomereik. Door de zeewind groeien ze niet zo hard. Op natte plekken groeien dopheide, struikheide, zonnedauw, cranberry en gagel.