Overslaan en naar de inhoud gaan

Akkerbouw en veeteelt in Noord-Groningen

Eeuwenlang bleef Noord-Groningen een veeteeltgebied. De Groninger blaarkoppen waren een alom gewaardeerd runderras. De koeien werden verhandeld op veemarkten in Winsum, Winschoten, Loppersum en natuurlijk op de Ossenmarkt in de stad Groningen. De kleigrond was vruchtbaar en zorgde voor goed grasland, beter dan op de zand- en veengronden.

Om allerlei redenen, onder andere de veepest, zijn veel Groninger boeren in de 19e eeuw overgegaan op de akkerbouw. Vooral de lichtere kleigronden waren hier geschikt voor. Aan gewassen als tarwe, gerst, koolzaad en suikerbieten kon je een goede boterham verdienen. Nog steeds staan er kapitale boerderijen in het oude kweldergebied.

Rijke akkerboeren

fitis-bollenvelden-ph-polder-sd.jpg

Bollenvelden | © Foto Fitis, Sytske Dijksen

In Warffum en Usquert, Beerta en Finsterwolde is te zien hoe het de akkerbouwers voor de wind ging in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw. Op akkerbouw-bedrijven was meer personeel nodig dan op veebedrijven. Ook dit heeft z'n weerslag in het landschap door het ontstaan van kleine arbeidersdorpen zoals bijvoorbeeld Kruisweg, Broek en Kleine Huisjes, die in de buurt van Pieterburen liggen. De laatste tientallen jaren gaat het minder met de akkerbouw. Veel boeren gaan weer over op veeteelt of bollenteelt. Vooral in de buurt van Kloosterburen ziet men in het voorjaar de kleurige velden van de bloembollenteelt.

Rijke veeboeren

Over het algemeen waren de boerenbedrijven in Noord-Groningen groot, omdat ze vanwege oude pachtwetten niet gesplitst mochten worden. Ook het recht van aanwas bij inpolderingen zorgde ervoor dat er zeer grote boerenbedrijven konden ontstaan. Noord-Groningen had dus rijke, dikke boeren. Veepestepidemieën in de 18e eeuw gaven de veehouderij een gevoelige klap.

CC-BY-NC, Ecomare & VLIZ 2020 - Laatst bijgewerkt: