Tijdens de laatste ijstijd, van 100.000 tot 10.000 jaar geleden, lag een groot deel van de zuidelijke Noordzee droog. De periode wordt het Weichseliaan, Weichselien, Weichselglaciaal of Weichsel-ijstijd genoemd. De bodem was begroeid met een steppe-achtige vegetatie. In dit landschap leefden grote dieren: de wolharige neushoorn, de wolharige mammoet, de steppenleeuw en de grottenbeer. Al deze dieren zijn nu uitgestorven, maar hun resten worden nog regelmatig opgevist door de vissers op de Noordzee. Er waren ook rendieren, paarden, hyena 's, edelherten en muskusossen.
wiechselien-ned_Bert-de-Vries_800.jpg

Dekzanden
Door de wind werden er dekzanden afgezet, die tegenwoordig grote delen van de Noordzeebodem, zuidelijk en oostelijk Nederland en Noord-Duitsland bedekken.
Windkanters
De zandstormen hebben de stenen die aan het oppervlak lagen, afgeschuurd en gepolijst tot een speciale vorm. Deze stenen heten windkeien of windkanters. Als je geluk hebt vind je er een op het strand!
Planten uit het Weichseliaan
Een aantal plantensoorten die tijdens het Weichselien in Nederland voorkwam, vinden we nu nog in Noord-Europa en in de Alpen. Ze hebben zich achter de gletsjers aan teruggetrokken. Hiertoe behoren o.a. zilverwortel, zuiltjesteenbreek en Salix retusa (een soort kruipwilg). De plantengroei op de steppen en toendra's van de laatste ijstijd was ruim voldoende om een aantal soorten grote zoogdieren te voeden.