
Pantserwieren is de Nederlandse naam voor de groep dinoflagellaten, kleine algen met een uitwendig skelet van cellulose die kunnen bewegen met zweepharen. Bij eencelligen komt het nogal eens voor dat ze zowel plantaardige als dierlijke eigenschappen hebben. Samen met de kiezelwieren produceren pantserwieren de meeste zuurstof in de lucht, en ze zijn het basisvoedsel in de zee. Sommige pantserwieren veroorzaken problemen als ze met veel zijn. Alexandrium en Dinophysis kunnen dan voedselvergiftiging veroorzaken. Maar ook het romantische lichten van de zee komt van een pantserwier, namelijk zeevonk.

Bouw
bio.jpg

Pantserwieren zijn ongeveer even groot als diatomeeën. Hun skelet bestaat niet uit kiezel maar uit cellulose. Ook pantserwieren kunnen allerlei vormen hebben: rond, langgerekt, boogvormig, dikwijls met stekels. Ze kunnen bewegen met behulp van zweepharen. Er zijn veel soorten in zee, maar ze komen ook in zoet water voor. Welke soort er leeft hangt af van de temperatuur, het zoutgehalte en de diepte. Sommige pansterwieren hebben geen bladgroen. Het zeevonkje is een voorbeeld. Deze vangen voedsel alsof het diertjes zijn. Hun celwanden zijn van cellulose en daarom worden deze wezentjes toch tot het plantenrijk gerekend.
Overlevers
Sommige pantserwieren kunnen een soort overlevingscapsule maken, waarin ze kunnen wachten tot de omstandigheden goed zijn om verder te leven en voortplanten. Zo'n capsule heet een cyste. Ze zakken naar de bodem en wachten betere tijden af.