
Ratelaars zijn halfparasieten. Dat betekent dat ze, om te kunnen leven, ook voedingsstoffen en water van andere planten gebruiken. Ratelaars parasiteren vooral op grassen. Je kunt aan de omgeving van een groep ratelaars goed zien dat het gras er geel wordt en verdwijnt. Daardoor krijgen de ratelaars weer meer zon en dat is goed voor ze. Hun naam hebben ze gekregen doordat de zaden, als ze rijp en droog zijn, een ratelend geluid maken als ze bewegen in de wind. De zaden blijven maar één jaar goed. Vaak ontkiemen ze al in de winter.
Zie ook
Grote ratelaar
ratel.jpg

Op sommige plaatsen in Nederland en België zie je nog veel grote ratelaar, maar hij gaat sterk in aantal achteruit. Hij groeit op diverse grondsoorten zolang die niet bemest worden. Grote ratelaar heeft een voorkeur voor natte plaatsen en hij staat dan ook in vochtige hooilanden, polderboezems, op laagveen en in duinvalleien. In de duinen kan grote ratelaar zowel op minder vochtige als op vochtige plekken groeien. Omdat zo veel plaatsen bemest worden groeien grote ratelaars voornamelijk nog in natuurgebieden. De grote ratelaar komt voor in Europa en westelijk Azië.
Kleine ratelaar
Kleine ratelaar lijkt zo veel op grote dat de planten moeilijk uit elkaar te houden zijn als ze op één plek groeien. De plant is wel een stuk kleiner en bloeit iets eerder in het voorjaar. Vroeger was kleine ratelaar tamelijk gewoon in ons land, maar nu vind je hem vooral in Zuid-Limburg en in de duinen. Konijnen zijn dol op kleine ratelaar. De kleine ratelaar komt voor in Europa, westelijk Azië en in Noord-Amerika.